Bestaansminimum schuldenaar gegarandeerd

Wie schulden heeft moet die afbetalen, maar heeft ook geld nodig om van te leven, het bestaansminimum. Daarom moeten schuldeisers van een deel van het inkomen van mensen met schulden af blijven.

Deze ‘beslagvrije voet’ is wettelijk verankerd, maar wordt lang niet altijd gehandhaafd. Vandaag gaat een wetsvoorstel van staatssecretaris Jetta Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en minister Ard van der Steur van Veiligheid en Justitie in consultatie waarin zij er voor zorgen dat schuldenaren niet alleen in theorie, maar ook in de praktijk een minimuminkomen overhouden. Klijnsma: ‘Het is beroerd dat nu naar schatting tienduizenden huishoudens met schulden onder het bestaansminimum leven doordat de beslagvrije voet te laag wordt ingeschat. Daarom komen wij nu met dit wetsvoorstel’.

Het wetsvoorstel ‘vereenvoudiging van de beslagvrije voet’ zorgt er voor dat het voor beslagleggende partijen simpeler wordt om te berekenen welk inkomensdeel zij met rust moeten laten. Nu nog zijn ze daarvoor afhankelijk van een veelheid aan informatie van de schuldenaar. In de nieuwe situatie komt de benodigde informatie niet meer van de schuldenaar, maar via bestaande registraties.

Bovendien regelt het wetsvoorstel dat bij mensen die te maken hebben met meerdere beslagleggende partijen, de afstemming beter verloopt. Onder het nieuwe regime heeft de schuldenaar één duidelijk aanspreekpunt: de innende deurwaarder. Die berekent de beslagvrije voet, legt die voor aan de schuldenaar die kan controleren of het klopt, en deze geldt dan voor alle innende partijen.

Dat betekent een einde aan verschillende berekeningen en het tornen aan het bestaansminimum. Na zes weken internetconsultatie gaat het wetsvoorstel (via de Ministerraad) ter advisering naar de Raad van State en de Kamer. Klijnsma wil deze beslagvrije voet voor het einde van deze kabinetsperiode graag goedgekeurd zien door het parlement.

Berekening van de nieuwe beslagvrije voet

De hoogte van de beslagvrije voet blijft over de hele linie zo ongeveer hetzelfde als in het oude systeem. Door de vereenvoudiging is deze wel minder op de specifieke situatie toegespitst, grofmaziger dus. In individuele gevallen kan de nieuwe berekening dus anders uitpakken.

De nieuwe berekening is afhankelijk van het inkomen en de leefsituatie van de schuldenaar. Er geldt in principe één vast bedrag, afhankelijk van de leefsituatie (alleen zonder kind(eren), alleen met kind(eren), samen met kind(eren) en samen zonder kind(eren)).

De hoogte van het inkomen bepaalt de berekeningswijze van de beslagvrije voet:

  • Voor degene die gezien zijn inkomen geen recht  op toeslagen heeft, geldt een vast bedrag als beslagvrije voet. Dat is 95 procent van de bijstandsnorm.
  • Voor wie recht heeft op toeslagen is het iets ingewikkelder, want als hij ook een vast bedrag zou houden en daarnaast nog toeslagen zou ontvangen, zou hij meer overhouden dan mensen die geen recht hebben op toeslagen. Voor diegenen gaat een formule gelden die rekening houdt met de afbouw van toeslagen. Voor toepassing van de formule is voldoende dat de beslagleggende partij de leefsituatie en het inkomen van de schuldenaar kent.
  • Wie een inkomen heeft op of onder bijstandsniveau zou niet of nauwelijks kunnen aflossen. Om hen niet onaantastbaar te maken voor schuldeisers, moeten zij 5 procent van hun netto inkomen aflossen.

In de tussentijd

Tot de nieuwe wet in werking treedt zijn er ook mensen die met beslagen te maken hebben. Daarom is er een rekentool ontwikkeld die het voor mensen met schulden nu al makkelijker moet maken om in te schatten of hun huidige beslagvrije voet juist is berekend of dat zij actie moeten ondernemen.

Bron: Rijksoverheid.nl

bestaansminimum